Tabakstrips: een hardnekkige plaag in de uienteelt
Wanneer de uien beginnen te groeien en de temperaturen stijgen, komt de ontwikkeling van tabakstrips (Thrips tabaci) in een stroomversnelling. De volwassen vrouwtjes zetten hun eitjes af op het bladweefsel van de uienplant. Zodra de larven uitkomen, beginnen ze zich te voeden met de celinhoud van de epidermis.
Tijdens het zuigen beschadigen de larven de plantencellen. Deze cellen sterven af en vullen zich met lucht, waardoor de kenmerkende zilverkleurige vlekken op het blad ontstaan (zie foto). Omdat deze beschadigde cellen niet langer bijdragen aan de fotosynthese, daalt de energieproductie van de plant. Bij een zware aantasting kan dit leiden tot groeiremming en opbrengstverlies.
Na het larvale stadium verpoppen de larven zich meestal in de bodem. Uit de pop komt een volwassen trips tevoorschijn, die mobiel is en zich gemakkelijk kan verspreiden binnen en tussen planten. De vrouwelijke adulten leggen opnieuw eitjes op het bladweefsel en veroorzaken, net als de larven, schade door in de bladcellen te steken en de celinhoud op te zuigen.
Deze cyclus kan meerdere keren per seizoen worden doorlopen. Warmere temperaturen versnellen de ontwikkeling van ei tot adult, waardoor generaties elkaar sneller opvolgen. Hierdoor kan de tripspopulatie in korte tijd exponentieel toenemen.
Grensoverschrijdend onderzoek naar tolerante uienrassen
Binnen het REFLECHI‑project speelt het onderzoek naar uienrassen met een hogere tolerantie tegen trips een belangrijke rol. Door rassen te identificeren die minder schade oplopen of beter blijven groeien onder tripsdruk, kunnen telers zich beter wapenen tegen de gevolgen van klimaatverandering en toenemende plaagdruk. Sterkere, tolerantere rassen vormen zo een belangrijke stap richting een duurzamere en robuustere uienteelt.
De klimaatomstandigheden in Vlaanderen, Wallonië en Noord‑Frankrijk zijn grotendeels vergelijkbaar. Daardoor is parallel onderzoek in deze regio’s bijzonder waardevol voor uienrassenonderzoek. Viaverda (Vlaanderen) en CRA‑W (Wallonië) werken nauw samen bij het opzetten van deze rassenproeven. Er is een continue uitwisseling van informatie over interessante rassen en een gezamenlijke afstemming van het proefprotocol, zodat de proeven onder vergelijkbare voorwaarden verlopen.
Door meerdere proeven in verschillende regio’s en over meerdere jaren uit te voeren, ontstaat een robuust en betrouwbaar beeld van de prestaties van elk ras. Deze brede dataset maakt het mogelijk om rassen te selecteren die niet alleen in één specifieke omgeving goed presteren, maar die stabiel en consistent zijn onder uiteenlopende teeltomstandigheden. De resultaten van dit gezamenlijk onderzoek zullen na het aflopen van de proeven uitgebreid gedeeld worden.

